
We brengen vandaag hulde aan Hedy d’Ancona, voor ons, nieuwe feministen, niet meer of minder dan een icoon. We kennen haar als medeoprichter en voormalig hoofdredacteur van Opzij, en ook – samen met Joke Smit – van de actiegroep Man Vrouw Maatschappij, om de twee feministische mijlpalen in haar leven te noemen.
Zonder vrouwen als Hedy d’Ancona had ik waarschijnlijk het spreken in het openbaar gemakkelijk aan mannen overgelaten. Ik wil haar bij deze gelegenheid bedanken voor haar werk en de wijsheid die ze al die jaren met ons heeft willen delen.
Het had voor de hand gelegen u vandaag iets te vertellen over het feminisme, het fenomeen dat mede dankzij mevrouw d’Ancona een vaste plaats heeft gekregen in het maatschappelijke debat. U verwacht van mij, nieuwe Nederlandse én nieuwe feministe, misschien wel een lezing over de vooruitgang van de vrouw in míjn cultuur, die op het eerste gezicht duidelijk niet de uwe kan zijn.
Ik moet u ontgoochelen. Hoewel ik er – net als u waarschijnlijk – van overtuigd ben dat in de schoot van de vooruitgang van de vrouw de vooruitgang van de hele samenleving kiemt. En dus ook van de journalistiek, met name de beeldende media. Dat is dan ook het thema waar ik het vandaag met u over zal hebben en ik zal ruimschoots putten uit mijn eigen ervaring met media en diversiteit.
Diversiteit
‘Diversiteit’ is tegenwoordig een groot goed maar hoe divers zijn de media nu echt? MTNL laat geen twijfels bestaan over haar intenties; het logo appelleert aan een hedendaags, kosmopolitisch publiek. En toch blijft het een aartsmoeilijke opgave om die diversiteit op een evenwichtige en kwalitatief hoogstaande manier te vertalen naar televisie. Want soms zijn onze beelden te mooi. Soms zijn ze niet om over naar huis te schrijven. Ik wil u anekdotische voorbeelden geven van beide gevallen.
Eerst een uit mijn jeugd. De eerste keer dat ik kennismaakte met zoiets als diversiteit op tv – al was die term toen nog niet zo ingeburgerd als nu, en zeker mij niet bekend – was in de jaren zeventig in Engeland, mijn geboorteland.
Ik zal 7 of 8 jaar zijn geweest. Wekelijks keek ik samen met mijn ouders naar Nei Zindagi, een programma op BBC. U hoort het, dat klinkt niet echt Engels. Er deden ook geen Britse mensen mee en er werd geen Engels gesproken maar Urdu. Het was een tv-show met Pakistaanse journalisten en Pakistaanse gasten, veelal artiesten. Ik herinner me vooral de filmsterren. De gesprekken vonden plaats in een huiskamerachtige studio. Ik verstond ze nauwelijks, mijn Urdu was niet zo goed. Maar ik weet nog hoe graag mijn ouders ernaar keken. Hoe ze ernaar uitkeken, vol verwachting en kinderlijk verlangen. En hoe ze er dan met hun Pakistaanse vrienden over spraken. Op een zondag was er om een of andere reden geen ontvangst, wat vele Pakistani uit de buurt echt verontwaardigde. Daardoor misten ze immers een interview met de filmster Barbara Sharief, destijds de Angelina Jolie van Pakistan. Barbara glom trouwens evenzeer van geluk als Angelina.
Het programma Nei Zindagi, ‘Het nieuwe leven’, was speciaal bestemd voor mensen zoals mijn moeder en mijn vader. Migranten in Londen. Migranten die een nieuw leven begonnen in een nieuw thuisland. Maar die af en toe via de tv nog wel een reis wilden maken naar hun oude leven, waar de mensen, mensen zoals zij, glommen van geluk. Met die mensen wilden de migranten die ik toen kende zich graag vereenzelvigen. Dat willen wij allemaal, ons vereenzelvigen met bepaalde ideaalbeelden, hoe eenzijdig soms ook. Zo kunnen we ons voor even trots voelen.
Heel anders is dat met beelden die niet zo’n mooi plaatje schetsen. Ik heb zelf ooit meegewerkt aan een programma waarvan ik nu geloof dat het de beeldvorming rond moslims eenzijdig en negatief heeft beïnvloed. Het was een ongemakkelijke ervaring maar ik wil hem toch met u delen, omdat ik er ook veel van geleerd heb.
Het was een jaar na 11 september 2001. Er woedde een kritische discussie over ‘de’ moslims. Het werd stilaan bon ton om je kritisch maar wel met een negatieve tendens uit te laten over deze bevolkingsgroep, over hun instituties en hun leer. Nooit tevoren hadden de moslims zo veel aandacht gekregen in de media.
Ik werd uitgenodigd voor een televisieprogramma waarover Maarten Huygen nadien in NRC Handelsblad zou schrijven: ‘Orthodoxe mannen bulderden dreigend tegen twee kritische vrouwen.’
Als u dat al hoort, dames en heren – wat ziet u dan voor u? Orthodoxe mannen, hoe zien die eruit als ze dreigend bulderen tegen twee kritische vrouwen? En hoe denkt u voortaan over orthodox-islamitische mannen?
Het ging om een live-uitzending van Rondom 10 over moslims en zelfkritiek. De andere kritische vrouw tegen wie door de orthodoxe mannen werd gebulderd, was Ayaan Hirsi Ali. Wij moesten het met ons pleidooi voor meer zelfkritiek bij moslims opnemen tegen twee islamitisch geschoolde maatschappelijke figuren van Marokkaanse afkomst.
Voordat er ook maar één woord was gewisseld ontstonden er twee kampen, niet in de laatste plaats door de antagonistische zaalopstelling. Alsof het de bedoeling was spontaan de confrontatie aan te gaan via de camera’s.
Wij vrouwen kregen volop de tijd om ons punt te maken. We stelden dat zelfreflectie en zelfkritiek onontbeerlijk zijn om je te ontplooien. Hoe mooi de normen van de islam volgens sommigen ook zijn, in de praktijk blijken ze geenszins onfeilbaar. Er gebeuren schandalige dingen in naam van de islam. En wij hebben de morele plicht om die dingen af te keuren, en op zijn minst om erover te spreken. Dat was in het kort onze gedachtegang.
De beide heren, verdedigers van het religieuze establishment, leken geen oren te hebben naar dissidente geluiden. Toen de discussie wat feller werd, hield een van de heren, de meest heetgebakerde van de twee, het niet meer uit. Zonder aarzeling rukte hij zijn microfoon af en liep druk gebarend en hoofdschuddend de set af. De kijker kreeg een spectaculaire walkout geserveerd. Gratis en voor niets. Een indringend beeld van een man die niet tegen kritiek kon, en zeker niet van vrouwen.
Of zat het anders? Later kwam de man terug – ook al weer zo’n goed tv-beeld. Zijn kritiek, en hij was niet de enige die er zo over dacht, richtte zich nu ook op de presentator: ‘U geeft de dames meer tijd om te spreken.’
Eigenlijk was dat ook wel zo. Wij verlichte dames zaten daar als individuen, niet als vertegenwoordigers van een islamitische instelling. Wij redeneerden vanuit een louter persoonlijke hoek en lieten een nieuw en kritisch geluid horen. Wij vertegenwoordigden de vrouwelijke underdog van de intra-islamitische dialoog. Als de paus en de ketter spreken, zal de ketter meer ruimte krijgen om zijn zegje te doen. De ketter krijgt ook meer sympathie. Dat is te verwachten binnen een seculiere, individualistische cultuur als de onze. Het was dus redelijk dat wij dames met een fris geluid meer tijd kregen om ons verhaal te doen.
Maar de presentator leek ons meer dan tijd alleen te geven. Ik kan me voorstellen dat het publiek zijn lichaamstaal interpreteerde als zou hij ons, verlichte, geëmancipeerde dames – tot zijn ‘incrowd’ rekenen, tot de dominante ‘succesvolle’ Nederlandse cultuur, die dissidenten wèl een platvorm geeft, en die het individualisme wèl erkent en toejuicht. Met deze modern ogende, welbespraakte dames zou het autochtone kijkerspubliek zich zeker kunnen identificeren, suggereerde heel de aanpak van het programma, en alleszins niet met die traditionalistische heren.
Dat was allicht wel een van de redenen dat Ayaan en ik nadien zo veel hatemail hebben ontvangen. Gewoon nare mailtjes, met ieder zijn eigen fatwa. De meeste mails gingen erover dat wij dames niets over moslims mochten zeggen omdat wij te westers waren. Wij werden dus gediskwalificeerd. We werden door de mailverstuurders buiten de discussie geplaatst.
In de mails werd geklaagd dat de media alleen verlichte types en westerse vrouwen die uit hun gezin en achterban zijn losgebroken lijken te accepteren als ‘geslaagde’ geëmancipeerde vrouwen.
Ik heb me afgevraagd of dat zo was. Soms denk ik dat dat wel klopt. Ik wil de media niet over één kam scheren, maar het lijkt soms alsof de media graag tijd maken voor het verlichte type moslim, de moslim die uit de school klapt over zijn of haar leed ondervonden in zijn of haar gemeenschap. Dat vinden we heerlijk. Zodoende sluiten de media diegenen uit die niet verlicht zijn, en ook niet ‘willen’ zijn.
Wie zijn dat? Ik denk kinderen van moslim-migranten die twijfels hebben over hun identiteit, die zingeving zoeken in de islam, die zich juist willen laten leiden door een autoriteit – hoe traditioneel en orthodox ook – die hen houvast en richting geeft. Die zich als moslims thuis willen voelen in het enige land dat voor hen thuis is. Die zich volwaardig willen voelen en niet minderwaardig, niet altijd willen worden gezien als een groep die het minder goed doet dan de ‘succesvolle westerling’, de ‘moderne moslim’ of de ‘uit het gezin losgebroken moslima’. Het zijn mensen die geaccepteerd willen worden zoals ze zijn, en niet pas als ze beantwoorden aan het westerse ideaalbeeld, als ze ‘verlicht’ zijn of zo overkomen. Hanif Kureishi schrijft hierover in zijn essay ‘The Road Exactly’: ‘Als je je buitengesloten voelt, zal het verleidelijk zijn om anderen buiten te sluiten.’ Om zijn regel toe te passen op mijn voorbeeld: als je je als moslim niet herkend voelt in de media, zul je diezelfde media afwijzen.
Stereotypen
Tot zover dames en heren, enkele voorbeelden van beelden, maar niet de laatste in deze lezing. Want ik ben gaan geloven dat beelden belangrijk zijn en dat gelooft u ook. Beelden zijn belangrijk en blijvend. De beelden die we meekrijgen vormen ons, en laten we wel wezen: we consumeren veel beelden. Maar wat gebeurt er als je geen beelden hebt, en dus ook geen divers aanbod van beelden? Dan dreigt het gevaar van stereotypen.
Een van de bekendste stereotype beelden van het laatste jaar in het moslimdebat is dat van Mohammed. Ik had als kind geen enkel beeld van Mohammed. Of laat ik zeggen: ik had een vrij neutraal beeld van mijn eigen profeet. Ik wist alleen dat hij mijn profeet was. That’s all.
Intussen weet ik wel iets meer natuurlijk, al zijn mijn beelden van hem nog altijd heel gefragmenteerd. Er is bijvoorbeeld een film over hem. Een vrij aardige film zelfs, hoewel maar weinig mensen hem kennen. In The Message, zoals die film heet, komt Mohammed ook niet in beeld. Er wordt wel naar hem gekeken en tegen hem gesproken, door mensen die wel in beeld zijn, maar je hoort en ziet hem niet – want er geldt binnen de meeste moslimtradities een verbod op het afbeelden van levende wezens, wat het sterkst geldt voor de profeet. Toch is zelfs The Message vanwege de indirecte verbeelding van Mohammed in enkele Arabische landen verboden.
En dan zijn er de beschrijvingen in boeken. Daarin heeft de profeet een Arabisch uiterlijk. Rechte witte tanden. Ravenzwart haar, kort op het voorhoofd, iets langer in de nek. Als hij zich omdraaide, deed hij dat in één ruk. Met die informatie heb ik in mijn hoofd een eigen beeld gecreëerd van Mohammed. Maar daar blijft het dus bij. En het is voldoende.
Ik haal mijn informatie niet alleen uit visuele media, maar laat me ook inspireren door literatuur en verhalen. Maar voor hoeveel mensen is dat zo? Welke mensen gebruiken voornamelijk beelden als voornaamste bron van informatie?
Kinderen bijvoorbeeld. Grote consumenten van tv. Ik geef wel eens les aan jonge kinderen, bijvoorbeeld van de weekendschool. Vaak zijn dat allochtone kinderen, waaronder veel moslims. Welke beelden hebben zij eigenlijk tot hun beschikking van Mohammed vandaag de dag? We leven niet meer in de ‘onschuldige’ jaren zeventig, toen ik klein was.
Ik zat in Engeland op een katholieke school. Elke vrijdag baden we gezamenlijk tot God en zijn zoon Jezus. Ik deed mee aan dat gebed, tot ik begon te beseffen dat ik eigenlijk moslim was. Moslims geloven niet in Jezus op dezelfde manier als christenen, toch fascineerde de figuur en persoon Jezus mij.
In Engeland werd ik overspoeld met beelden van Jezus. Niets over Mohammed. Wel over Jezus. In de bijbelfilms uit Hollywood werd Jezus vertolkt door Jeffery Hunter, een echte blonde Adonis, of Robert Powell, die Jezus neerzette als een serieuze, geleerde, mystieke man die niet eens met zijn ogen knipperde – hele scènes lang – waardoor er een bovenmenselijke sfeer rond hem hing. Het was alsof je via de buis even de hemel kon betreden.
En er waren meer beelden. Schilderijen, sommige vol gruwelijk leed toegebracht aan de goede man, andere spiritueel en weer andere eerder lichamelijk en vleselijk. Jezus was een lieve zoon van zijn moeder. Een moederskind. Bohémien. Knap. Slank. Fit. Trendy. Liefdevol. Bescheiden. Sensueel. Onschuldig. Verkondiger van naastenliefde. In feite vrij loveable. Met een man als Jezus kon je je als goede mens makkelijk identificeren.
Even terug naar de kinderen. Stel je voor dat zij Jezus moeten casten voor een film. Hoe zou dat gaan? Hij zou door de kinderen vast gecast worden in een film over geweldloosheid en liefdadigheid, of misschien wel in een hedendaagse productie van Hair. Maar Mohammed? Welke rol zouden de kinderen hem geven? Ik durf het niet te zeggen.
Wat ik wel durf te zeggen is dat mijn geloofsgenoten hun afbeeldingen en verhalen wat meer ruimte mogen gunnen, wat diverser mogen maken, zoals de christenen hebben gedaan. Hier durven mensen hun heiligheden bespreekbaar te maken. Als wij dat ook zouden doen, zouden er van onze heiligen misschien geen nare stereotypen overblijven.
Het ontstaan van stereotypen is een van de resultaten van het gebrek aan diversiteit. Soms is een stereotype mooi, zoals in het eerste voorbeeld de beelden van glimmende mensen in Nei Zindagi. Het tweede voorbeeld, de bulderende orthodoxe moslims die niet tegen kritiek kunnen, is minder mooi. Maar of we hiermee nu een gevarieerd beeld hebben van een grote groep migranten is maar de vraag.
Waarom is het korte metten maken met stereotypen zo wezenlijk vandaag? Amartya Sen, Nobelprijswinnaar en schrijver, legt het uit in zijn boek Identity and Violence: de stereotype vertegenwoordiging van bijvoorbeeld moslims, of migranten, of dolle amina’s, of wie dan ook, schaadt – het maakt namelijk dat een grote groep mensen er in de ogen van de hele wereld vreemd en eng uitziet. En daarin schuilt een groot gevaar. Laten we moslims als voorbeeld nemen. Wanneer moslims worden neergezet als bijvoorbeeld fundamentalisten raakt overschaduwd dat moslims los van hun moslim-zijn ook andere identiteiten hebben. Wanneer het stereotype beeld overheerst, kunnen we moslims alleen kennen en begrijpen in termen van hun islamitische identiteit. We kunnen niet verder kijken, we kijken niet naar hun bijdrage in de maatschappij, waarin andere vaardigheden naar voren komen, zoals creatief talent in de kunsten of de wetenschap, denk- of schrijftalent. En dat maakt dat die persoon anders blijft, namelijk een moslim. En iemand als ‘anders’ beschouwen zorgt alleen maar voor meer onbegrip, meer verwijdering, tot een wij-zijcultuur.
Er is dus behoefte aan meer diversiteit – wat overigens geen gemakkelijke evenwichtsoefening is. De redactie van veel programma’s die gaan over onze huidige ingewikkelde actualiteit moet ook nog eens mikken op de gemiddelde kijker, en die is niet geïnteresseerd in theologisch-antropologische gesprekken. Die haakt af als een betoog langer duurt dan tien seconden, of als er meer dan één bijzin per minuut wordt uitgesproken. De televisie creëert zo haar eigen beperkingen en geeft die ook door aan het publiek.
Hoe verkrijg je diversiteit dan in de praktijk? Het komt natuurlijk vaak aan op de kwaliteiten van de gesprekspartners die deelnemen aan programma’s. Diversiteit heeft niet alleen te maken met huidskleur, afkomst of religie. Het volstaat niet om tien allochtonen in een panel te zetten of bij een redactie te voegen. Die mensen moeten ook inhoud hebben, en onderling even verschillend zijn als de ‘westerse’ deelnemers. Anders moeten we tegenover iedere imam die wordt uitgenodigd een dominee zetten. Ook stereotypen, maar ze bewegen zich tenminste op dezelfde goddelijke golflengte.
Als we die mensen niet vinden in ons eigen taalgebied, moeten we maar Engelstalige gasten uitnodigen, of nog anderstalige. We mogen de lat best wat hoger leggen, vind ik. We mogen best wat kosmopolitischer denken. Dat is natuurlijk een stuk makkelijker in landen als Groot-Brittannië, waar meer dan drie miljoen moslims en hindoe’s wonen. Daar zijn inmiddels veel minder stereotypen op tv dan in Nederland. Maar hier kon het vroeger ook. Adriaan Van Dis nodigde destijds toch ook Engelstalige, Franstalige en Duitstalige auteurs uit? In Europa zijn veel dissidente stemmen maar we moeten ze ook willen horen. Het lijkt alsof we dat steeds minder in onze talkshows doen. Waarom? vraag ik me af.
En waarom zouden we geen voorbeeld nemen aan de vele nieuwe Arabische zenders, waarvan de kwaliteit van de informatie en de beeldvorming de laatste jaren wel degelijk sterk zijn verbeterd? Waarom zouden we niet wat vaker de succesverhalen uit het Oosten tonen in plaats van telkens weer de mislukkingen? Waarom zijn we nog altijd gefixeerd op Hollywood en reserveren we Bollywood voor een keertje in het filmhuis? Omdat die films niet om aan te zien zijn, zegt u misschien. Omdat ze te ver van onze cultuur staan, zegt u als u een beetje beleefd wilt blijven. Maar dan vergeet u dat ook daar, in Bollywood, de wereld niet stilstaat. Ook daar begint het kosmopolitische denken stilaan door te dringen. Ook daar beseft men dat talent en kwaliteit duurzamer zijn dan cultuur en identiteit. Ook daar vinden mensen van verschillende overtuigingen elkaar om samen tot betere, minder stereotype resultaten te komen.
Hoe mooi zou het zijn als we gewoon met z’n allen, in oost en west, wat meer moeite deden en nieuwsgierig waren. We moeten ons openstellen voor woorden en beelden uit andere culturen. We moeten elkaars programma’s bekijken op televisie. We moeten elk sjabloon achter ons laten en een open dialoog durven aangaan met gelijkwaardige gesprekspartners.
In veel programma’s is geen sprake van een dialoog, maar worden de beide kampen bewust tegen elkaar opgezet. Met alle schadelijke gevolgen van dien. Ik durf te wedden dat Hedy d’Ancona vast ook heeft moeten opboksen tegen het stereotype beeld dat velen hadden van de eerste feministen van de tweede golf. Tot de vrouwen daadwerkelijk doordrongen tot de media, heel veel verschillende vrouwen, en plots bleek dat sommige feministes gewoon een rok droegen, en zich niet altijd hulden in een lompe tuinbroek. Wie weet hoezeer de moslims ons de komende jaren nog zullen verrassen? Ik hoop in ieder geval dat het er veel zullen zijn, uit zowel oost als west.
© 2009 Naema Tahir
voor MTNL
Bestel het Essay Een kleine diversiteit aan beelden >>
Ga naar de startpagina >>